Enig artikel:
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de notulen van de vergadering van 25 juni 2026, vervat als bijlage en integraal deel uitmakend van deze beslissing, goed.
Amendement - Artikel 53 Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Yannick Poot Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nathalie Woitrin Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Colette Storms Damien Filippi Anja Vermeulen Nadia Steenbeek Chantal Deghoy Alain Van Herck Françoise Devleeschouwer Bruno Vandersteen Isabelle Fouarge aantal voorstanders: 6 , aantal onthouders: 2 , aantal tegenstanders: 1 Goedgekeurd
Besluit Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Yannick Poot Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nathalie Woitrin Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Chantal Deghoy Anja Vermeulen Damien Filippi Colette Storms Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Alain Van Herck aantal voorstanders: 5 , aantal onthouders: 4 , aantal tegenstanders: 0 Goedgekeurd
Artikel 1:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist om deontologische code voor mandatarissen van 28 januari 2021 op te heffen.
Artikel 2:
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de onderstaande deontologische code voor mandatarissen OCMW goed:
Deontologische code mandatarissen OCMW
Gecoördineerde versie
Inleiding
De deontologische code vormt een algemene leidraad voor lokale mandatarissen op het gebied van integer handelen, zowel bij de uitoefening van hun mandaat en hun dienstverlenende activiteiten naar de burgers toe als bij hun taken als vertegenwoordiger van het OCMW bij externe instanties.
Integer handelen steunt op de volgende waarden: dienstbaarheid, functionaliteit, eerlijkheid, onafhankelijkheid, openheid, vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid.
DEEL I - Toepassingsgebied
Art. 1 De deontologische code is van toepassing op de lokale mandatarissen.
Voor het OCMW worden hieronder begrepen:
● de voorzitter;
● de leden van het vast bureau;
● de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Deze code is bij uitbreiding eveneens van toepassing op de medewerkers van de lokale mandatarissen, welke ook hun statuut of hoedanigheid is, en op de vertrouwenspersonen.
Lokale mandatarissen die namens het OCMW andere mandaten bekleden, zijn in die hoedanigheid eveneens ertoe gehouden de bepalingen van de deontologische code na te leven. Dit geldt zowel voor de mandaten die rechtstreeks in verband staan met hun ambt als voor alle hiervan afgeleide mandaten.
Indien een mandaat namens het OCMW wordt opgenomen door een extern persoon, dus niet vermeld onder de eerste paragraaf van dit artikel, zal bij zijn/haar aanstelling gevraagd worden deze deontologische code te onderschrijven.
Lokale mandatarissen zullen er tevens over waken dat zij, ook buiten het kader van deze mandaten, geen dienstverlenende activiteiten ontplooien die afbreuk doen aan de eer en de waardigheid van hun ambt.
DEEL II - Algemene bepalingen
Art. 2 Bij hun optreden op en buiten het lokale bestuursniveau en in hun contacten met individuen, groepen, instellingen en bedrijven, geven de lokale mandatarissen principieel voorrang aan het algemeen belang boven het particuliere belang.
Art. 3 De lokale mandatarissen staan op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers zonder onderscheid van geslacht, huidskleur, afstamming, sociale status, nationaliteit, taal, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische of politieke voorkeur of persoonlijke gevoelens.
Art. 4 Lokale mandatarissen onthouden zich, ook buiten hun mandaat, van elk gedrag dat afbreuk doet aan de eer en de waardigheid van hun mandaat.
Hoofdstuk I - Belangenvermenging en de schijn ervan
Art. 5 Een lokale mandataris mag zijn/haar invloed en stem niet gebruiken voor het eigen persoonlijk belang. Dat mag ook niet voor het persoonlijk belang van een ander persoon of het belang van een organisatie bij wie hij/zij een directe of indirecte betrokkenheid heeft.
Art. 6 Een lokale mandataris gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging, en zelfs de schijn daarvan, tegen. Een lokale mandataris neemt geen deel aan de bespreking en de stemming wanneer er sprake is van een beslissing waarbij belangenvermenging speelt.
Gedrag bij stemming en beraadslaging: decreet over het lokaal bestuur, artikel 27 §1, §3 en §4 en 74.
Gedrag bij stemming en beraadslaging: wet op de overheidsopdrachten, artikel 6.
Gedrag bij stemming en beraadslaging: burgerlijk wetboek, artikel 1596.
Art. 7 Een lokale mandataris beseft dat mogelijke belangenvermenging niet beperkt is tot de bespreking en stemming. Daarom zorgt hij/zij dat er ook geen enkele beïnvloeding is tijdens de andere fases van het besluitvormingsproces.
Art. 8 Een lokale mandataris zorgt dat bij contacten met de burger nooit de schijn gewekt wordt dat particuliere belangen begunstigd (kunnen) worden.
Art. 9 Een lokale mandataris mag de in artikel 10 van het decreet over het lokaal bestuur genoemde functies niet uitoefenen.
Verboden functies voor lokale mandatarissen: decreet over het lokaal bestuur, artikel 10 en 71.
Onverenigbaarheden: decreet over het lokaal bestuur, artikel 11.
Art. 10 Een lokale mandataris mag de in artikel 27 §2 van het decreet over het lokaal bestuur genoemde overeenkomsten en handelingen niet aangaan.
Verboden handelingen: decreet over het lokaal bestuur, artikel 27 §2 en §3 en 74.
Art. 11 Ter bevordering van de transparantie en om schijn van partijdigheid te voorkomen, meldt een lokale mandataris aan de algemeen directeur welke betaalde en onbetaalde mandaten hij/zij vervult naast het politiek mandaat bij het lokaal bestuur.
Art. 12 Een lokale mandataris meldt aan de algemeen directeur wanneer hij/zij substantiële financiële belangen heeft (bijvoorbeeld aandelen of opties) in een onderneming waarmee het OCMW zaken doet of waarin het OCMW een belang heeft.
Art. 13 De door een lokale mandataris gemelde mandaten en substantiële financiële belangen zijn openbaar en worden ter inzage gelegd. Ook een tussentijds ontstaan mandaat of belang moet meegedeeld worden. De algemeen directeur of een personeelslid dat daartoe door de algemeen directeur werd aangewezen, draagt zorg voor een geactualiseerde openbare lijst van gemelde mandaten en belangen.
Hoofdstuk II - Corruptie en de schijn ervan
Art. 14 Een lokale mandataris mag zijn/haar invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door geld, goederen, diensten of andere gunsten die hem/haar gegeven of beloofd werden.
Art. 15 Een lokale mandataris moet actief en uit zichzelf de schijn van corruptie tegengaan.
Wetgeving inzake corruptie: nieuw strafwetboek, boek 2, artikel 634 en 637.
Hoofdstuk III - Geschenken
Art. 16 Een lokale mandataris aanvaardt geen geschenken of gunsten die zijn /haar onafhankelijkheid kennelijk kunnen beïnvloeden of de schijn van corruptie of partijdigheid kennelijk kunnen wekken.
Enkel gelegenheidsgeschenken van geringe waarde met een eerder symbolisch karakter (max. 75 euro) zijn toegestaan.
Indien het geschenk deze geringe waarde overstijgt en indien het geschenk weigeren de gever ernstig zou kwetsen of in verlegenheid zou brengen, geeft de mandataris het geschenk aan de algemeen directeur en wordt het eigendom van het OCMW. De algemeen directeur registreert deze giften en geeft ze in alle transparantie een bestemming.
De overhandiging van het geschenk vindt plaats in het openbaar.
Art. 17 De raad voor maatschappelijk welzijn kan in concrete gevallen afwijken van de bepalingen uit het artikel 16. Dit kan enkel in volledige openbaarheid.
Hoofdstuk IV - Het aannemen van uitnodigingen
Art. 18 Een lokale mandataris accepteert uitnodigingen (lunches, diners, recepties en andere) die door anderen betaald of gefinancierd worden enkel wanneer aan alle onderstaande voorwaarden voldaan wordt:
● De uitnodiging behoort tot de uitoefening van het raadswerk;
● De aanwezigheid kan worden beschouwd als functioneel (protocollaire taken, formele vertegenwoordiging van het OCMW,…).
Hoofdstuk V - Het accepteren van reizen, verblijven en werkbezoeken
Art. 19 Een lokale mandataris accepteert werkbezoeken, waarbij reis- en verblijfkosten door anderen betaald worden alleen bij hoge uitzondering. Een dergelijke uitnodiging dient altijd besproken te worden op de raad voor maatschappelijk welzijn. De uitnodiging kan alleen geaccepteerd worden wanneer het bezoek aantoonbaar van belang is voor het OCMW en de schijn van corruptie of beïnvloeding minimaal is.
Van een dergelijk werkbezoek wordt altijd (schriftelijk) verslag gedaan aan de raad.
Hoofdstuk VI - Het gebruik van voorzieningen en middelen van het lokaal bestuur
Art. 20 Een lokale mandataris houdt zich aan de regels die vastgelegd zijn over het gebruik van voorzieningen en middelen van het lokaal bestuur.
Wetgeving inzake terugbetaling en verantwoording kosten: besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2018 houdende het statuut van de lokale mandataris, artikel 35 §1.
Art. 21 Een lokale mandataris houdt zich aan de regels die vastgesteld zijn voor het gebruik van interne voorzieningen die voor het raadswerk worden voorzien zoals opgenomen in het huishoudelijk reglement.
Art. 22 Een lokale mandataris houdt zich aan de regels over onkostenvergoedingen zoals vastgesteld in het huishoudelijk reglement.
Wetgeving inzake terugbetaling specifieke kosten: decreet over het lokaal bestuur, artikel 38 en 74.
Hoofdstuk VII - Omgaan met informatie
Art. 23 De raad voor maatschappelijk welzijn werkt onder het principe van principiële openbaarheid. Hij ziet erop toe dat het vast bureau alle relevante informatie aangaande dossiers, stukken en akten openbaar toegankelijk maakt.
Art. 24 Een lokale mandataris communiceert eerlijk over de redenen en motieven op basis waarvan hij/zij individueel gestemd heeft. Daarnaast communiceert een lokale mandataris eerlijk over de reden en motieven op basis waarvan de raad als geheel de beslissing genomen heeft.
Art. 25 Een lokale mandataris is gebonden aan het beroepsgeheim wanneer hij/zij door de functie van lokale mandataris kennis krijgt van geheimen die door personen aan het OCMW zijn toevertrouwd. Bekendmaking van deze geheimen is verboden, behalve wanneer de wet de openbaring oplegt of mogelijk maakt. Dit is ook van toepassing na het naleven van een mandaat.
Wetgeving inzake beroepsgeheim: nieuw strafwetboek, boek II, art. 352.
Art. 26 Naast het strenge beroepsgeheim geldt eveneens een geheimhoudingsplicht voor lokale mandatarissen. Deze plicht beschermt wat besproken wordt tijdens een besloten vergadering (feiten, meningen, overwegingen…).
Wetgeving inzake geheimhoudingsplicht: decreet over het lokaal bestuur, artikel 29 §4.
Wetgeving inzake openbaarheid van de vergadering: decreet over het lokaal bestuur, artikel 28 en 74.
Art. 27 Een lokale mandataris heeft een algemene discretieplicht. Hij/zij gaat op discrete en voorzichtige wijze om met de informatie die hem/haar toekomt in de uitoefening van zijn/haar functie.
Wetgeving inzake vertrouwelijkheid van informatie: wet betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, artikel 10.
Art. 28 Een lokale mandataris gebruikt de informatie die hij/zij kreeg door de uitoefening van zijn/haar functie enkel voor zijn/haar raadswerk en niet voor zijn/haar persoonlijk belang of voor het persoonlijk belang van anderen.
Art. 29 Een lokale mandataris gaat omzichtig te werk bij het verspreiden van ontvangen correspondentie (brieven en e-mails) en neemt de vertrouwelijkheid van de inhoud steeds in acht. Hij maakt correspondentie enkel openbaar indien het de onmiskenbare bedoeling is van de afzender. Bij twijfel vraagt hij zijn expliciete toestemming.
Hoofdstuk VIII - Informatiebemiddeling
Art. 30 Het behoort tot de wezenlijke taken van de lokale mandataris informatie te ontvangen en te verstrekken, in het bijzonder over de diensten die instaan voor informatieverstrekking en de manier waarop de burger zelf informatie kan opvragen in het kader van de openbaarheid van bestuur.
Art. 31 Informatie waarop de vragensteller geen recht heeft, die de goede werking van de administratie kan doorkruisen of die de privacy van anderen in het gedrang kan brengen, mag door de lokale mandatarissen niet worden doorgegeven.
Art. 32 De lokale mandatarissen verwijzen de vragensteller, waar mogelijk, naar de bevoegde administratieve dienst(en). Zij stellen informatie ter beschikking van de burger met betrekking tot de werking van de dienst die instaat voor de behandeling van klachten over het optreden of het niet-optreden van de overheid.
Hoofdstuk IX - Administratieve begeleiding en ondersteuning van burgers
Art. 33 §1. De lokale mandatarissen kunnen de burgers ondersteunen en begeleiden in hun relatie met de administratie of met de betrokken instanties. Zij kunnen de burgers helpen om, via de daartoe geëigende kanalen en procedures, een aanvraag te richten tot de overheid of het lokaal bestuur, informatie te verkrijgen over de stand van zaken in een dossier, daarover nadere uitleg en toelichting te vragen en vragen te stellen over de administratieve behandeling van dossiers.
§2. Bij klachten of conflicten moeten de mandatarissen de burger in eerste instantie doorverwijzen naar de bevoegde administratieve dienst.
§3. Bij de administratieve begeleiding en ondersteuning van de burgers respecteren de lokale mandatarissen de onafhankelijkheid van de diensten en de personeelsleden, de objectiviteit van de procedures en de termijnen die als redelijk moeten worden beschouwd voor de afhandeling van soortgelijke dossiers.
§4. De briefwisseling met de overheid, gevoerd in het kader van de administratieve begeleiding en ondersteuning, wordt uitsluitend op naam van de burger gevoerd. Er wordt op geen enkele wijze melding gemaakt van de ondersteunende en begeleidende rol van de lokale mandataris.
§5. Elke vorm van rechtstreekse dienstverlening, informatiebemiddeling, doorverwijzing of begeleiding gebeurt zonder enige materiële of financiële tegenprestatie van welke aard of omvang ook en mag geen vorm van cliëntenwerving inhouden.
Hoofdstuk X - Schijndienstbetoon
Art. 34 §1. Alle vormen van schijndienstbetoon, waarbij lokale mandatarissen bewust maar onterecht de indruk wekken dat zij bij de goede afloop van een dossier daadwerkelijk tussenbeide zijn gekomen (eventueel zonder dat de betrokken burger om een tussenkomst heeft gevraagd), en zichzelf op die manier bij het publiek in een gunstig daglicht stellen, zijn verboden.
§2. Indien goederen of diensten aan de bevolking worden aangeboden door de gemeente, het OCMW of derden, mag de lokale mandataris nooit de indruk wekken dat zij persoonlijk van hem afkomstig zijn.
Hoofdstuk XI - Tussenkomsten
Art. 35 §1. Lokale mandatarissen onthouden zich van tussenkomsten ten bate van particuliere belangen en individuele dossiers bij de administratie. Ze laten de mededeling aan de belanghebbende over de uitkomst van een behandeling over aan de administratie.
§2. Tussenkomsten bij selectie voerende instanties die tot doel hebben het verhogen van kansen op benoemingen, aanstelling en bevordering in de administratie zijn verboden.
De lokale mandatarissen verwijzen de belanghebbende naar de geldende normen en procedures.
Hoofdstuk XII - Onderlinge omgang en afspraken over vergaderingen
Art. 36 Mandatarissen gaan respectvol om met elkaar en met de personeelsleden van het lokaal bestuur.
Deze houding geldt zowel binnen als buiten de sfeer van de bestuursorganen (bijvoorbeeld, het gebruik, door de mandataris, van sociale media, pers, of andere kanalen, organen en sites, privé of publieke, moet respectvol zijn ten overstaan van alle anderen - mandatarissen of niet).
Elke mandataris en elk personeelslid is een medemens en medeburger en verdient respect. Een respectvolle omgang met elkaar zorgt voor een betere beraadslaging en leidt tot zorgvuldigere en dus betere beslissingen. Bovendien heeft de manier waarop de bestuursorganen met elkaar omgaan een invloed op de geloofwaardigheid van de politiek.
Ook wordt eerlijkheid en respect verwacht in de omgang met alle anderen (burgers, mandatarissen, personeelsleden en andere contactpersonen). Geweld, leugens, intimidatie, intentioneel misleidende informatie, pesterijen, laster, eerroof en ongewenst seksueel gedrag, zowel door middel van gesproken of geschreven woorden als door feitelijke handelingen of gedragingen, zijn verboden.
Art. 37 Mandatarissen richten zich tot elkaar, tot de algemeen directeur en de andere personeelsleden op een correcte wijze en dit zowel verbaal, non-verbaal als schriftelijk, inclusief de digitale communicatie.
Art. 38 Lokale mandatarissen houden zich tijdens vergaderingen van de politieke organen aan het huishoudelijk reglement en volgen de aanwijzingen van de voorzitter hierover op.
Art. 39 Lokale mandatarissen onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele personeelsleden.
Hoofdstuk XIII - Sociale media en communicatiekanalen
Art. 40 Lokale mandatarissen zijn zich ervan bewust dat uitspraken op sociale media altijd geassocieerd kunnen worden met hun mandaat, de gemeente of het OCMW. Zij handelen online met dezelfde hoffelijkheid en waardigheid als in de raadszaal.
Art. 41 Officiële communicatiekanalen van het lokaal bestuur (zoals de gemeentelijke Facebookpagina) mogen niet worden gebruikt voor persoonlijke politieke profilering of partijpropaganda.
Art. 42 Het is niet toegestaan om personeel of door het OCMW betaalde advertentiebudgetten in te zetten voor het beheer van persoonlijke of partijpolitieke sociale mediaprofielen.
Art. 43 Lokale mandatarissen wordt aangeraden om in hun berichtgeving duidelijk aan te geven of zij op persoonlijke titel spreken of in hun officiële hoedanigheid als voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn lid, lid van het vast bureau of raadslid.
DEEL III - Het voorkomen van mogelijke schendingen
Art. 44 Wanneer een lokale mandataris twijfelt of een handeling die hij/zij wil verrichten een overtreding van de code zou kunnen zijn, wint hij/zij hierover advies in bij de algemeen directeur of het personeelslid dat door de algemeen directeur daartoe werd aangewezen.
Art. 45 Wanneer een lokale mandataris twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere lokale mandataris, dan waarschuwt hij/zij die persoon. De lokale mandataris verwoordt de twijfels en verwijst de betrokkene zo nodig door naar de algemeen directeur of het personeelslid dat door de algemeen directeur daartoe werd aangewezen.
DEEL IV - De deontologische commissie
Hoofdstuk I - Samenstelling
Art. 46 De raad voor maatschappelijk welzijn richt een deontologische commissie op die zich buigt over mogelijke schendingen van de deontologische code door mandatarissen van het OCMW.
Art. 47 Het doel van de deontologische commissie is eerst en vooral het bevorderen van het zelfcorrigerend vermogen van het lokaal bestuur.
Art. 48 Het aantal politieke leden van de deontologische commissie bedraagt één per verkozen lijst en evenveel als het aantal verkozen lijsten in de raad voor maatschappelijk welzijn, aangevuld met de voorzitter van het OCMW, die wordt toegevoegd als voorzitter van de deontologische commissie.
Art. 49 De raad voor maatschappelijk welzijn streeft ernaar om stemgerechtigde leden van een verschillend geslacht op te nemen in de deontologische commissie.
Art. 50 Bij elke volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt de deontologische commissie opnieuw samengesteld.
Art. 51 §1. Elke verkozen lijst wijst het mandaat in de commissie toe met een voordracht gericht aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
§2. Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht voor elk van de commissieleden ten minste ondertekend worden door een meerderheid van de verkozen leden van de lijst waarvan de kandidaat-commissielid deel van uitmaakt. Als de lijst van de kandidaat-commissielid maar uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van één of twee van hen.
§3. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn voordrachten ontvangt voor meer dan één kandidaat als lid van de commissie, dan beslist de raad.
§4. Voor elk lid, behalve de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt één of meerdere vaste plaatsvervangers aangeduid. In het geval dat er slechts één persoon verkozen werd kan deze lijst een niet verkozen kandidaat van dezelfde lijst of een mandataris van dezelfde lijst in een andere raad voordragen. Een verkozen lijst kan tijdens de bestuursperiode steeds beslissen een ander lid aan te duiden en/of één of meer plaatsvervangers te vervangen of toe te voegen.
De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt in de deontologische commissie vervangen overeenkomstig de vervangingsregeling uit artikel 533 derde lid van het decreet lokaal bestuur.
Art. 52 §1. De algemeen directeur vervult de rol van secretaris in de deontologische commissie en voert onder mandaat van de commissie de ontvankelijkheidstoets en het eventuele vooronderzoek uit, mogelijk ondersteund door interne en/of externe specialisten.
§2. Wanneer de algemeen directeur zelf betrokken is bij een melding, of om legitieme redenen geen rol kan spelen in het proces, zal deze worden vervangen door de adjunct-algemeen directeur of door de medewerker die hen in het kader van de waarnemingsregeling vervangt.
Art. 53 De deontologische commissie kan gebruik maken van een extern adviserend lid, aangeduid door de algemeen directeur. Dit extern adviserend lid moet neutraal zijn en mag geen link hebben met een lijst of een individuele mandataris. Hij/zij is niet gedomicilieerd in Kraainem.
Art. 54 De leden van de deontologische commissie van de gemeenteraad zetelen als extern lid in de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze externe leden hebben overeenkomstig artikel 56 geen stemrecht in de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 55 Alle vertegenwoordigers uit de raad voor maatschappelijk welzijn in de deontologische commissie zijn volwaardige leden met stemrecht. Alle plaatsvervangers zijn eveneens stemgerechtigd, ook in het geval zij geen mandataris zijn.
Art. 56 De externe leden, de secretaris en het extern adviserend lid zijn niet stemgerechtigd.
Art. 57 Leden van de deontologische commissie dienen te allen tijde:
● onpartijdig te zijn;
● zich te onthouden van elke vorm van publiciteit;
● zorgvuldig om te gaan met de vermeende schender.
Art. 58 De leden van de deontologische commissie leggen een vertrouwelijkheids- en neutraliteitsverklaring af.
Art. 59 Een plaatsvervanger neemt deel aan de commissie in geval een lid van de commissie verhinderd is of betrokken is bij een voorliggende zaak.
● wanneer een lid van de commissie melder is van een mogelijke schending;
● wanneer een lid van de commissie een mogelijke schending van de deontologische code heeft begaan;
● wanneer een lid van de commissie een ‘vermeend’ slachtoffer is van een mogelijke schending;
● wanneer een lid van de commissie persoonlijk of als vertegenwoordiger, of wanneer zijn/haar echtgenoot/echtgenote of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de zaak;
● wanneer een lid van de commissie de rol van voorzitter van de deontologische commissie dient op te nemen, overeenkomstig artikel 51 §4.
Bij betrokkenheid dient het lid de voorzitter van de deontologische commissie hiervan schriftelijk te informeren voor aanvang van de vergadering. Tijdens de hele procedure daarover wordt het lid vervangen door een plaatsvervanger in de volgorde waarin de fractie de plaatsvervangers heeft voorgedragen.
Art. 60 In geval van een mogelijke schending van de deontologische code door de voorzitter van de commissie wordt tijdens de hele procedure daarover de voorzitter vervangen conform artikel 533 derde lid van het decreet lokaal bestuur.
Art. 61 Indien een lid niet kan deelnemen aan een vergadering van de deontologische commissie, verwittigt hij op voorhand de voorzitter en de overige leden van de deontologische commissie.
Het verhinderd lid brengt zijn vaste plaatsvervanger op de hoogte van de plaatsvervanging.
Art. 62 Een belanghebbende (melder, mogelijke schender of het ‘vermeende’ slachtoffer) kan een lid van de deontologische commissie wraken op basis van de gronden vermeld in artikel 59. De algemeen directeur ziet erop toe dat de wraking gebaseerd is op feitelijke gegevens en neemt de uiteindelijke beslissing over de samenstelling van de commissie.
Bij een wraking neemt een plaatsvervanger die zich niet in dezelfde situatie bevindt de plaats in van het gewraakte lid.
Hoofdstuk II - Bevoegdheid
Art. 63 De deontologische commissie onderzoekt de zaak en formuleert adviezen aan de raad voor maatschappelijk welzijn aangaande meldingen en klachten over vermeende schendingen van de deontologische code voor lokale mandatarissen door personen vermeld in het artikel 1, voor zover zij op het moment van de melding of klacht effectief in functie zijn.
Art. 64 De deontologische commissie beslist over de vraag of er in de voorliggende zaak sprake is van een schending of niet en adviseert de raad voor maatschappelijk welzijn over de geschikte maatregelen.
De deontologische commissie kan de raad voor maatschappelijk welzijn ook een niet bindend advies geven over de manier van communiceren over het voorval.
Art. 65 De deontologische commissie geeft adviezen en aanbevelingen aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de inhoud van deze code met het oog op het bijsturen ervan. Dat kan op eigen initiatief van de commissie of minstens één keer per bestuursperiode conform artikel 89 van deze code.
Hoofdstuk III - Werking
Art. 66 De voorzitter van de deontologische commissie is verantwoordelijk voor de oproeping en stelt de agenda op.
De oproepingen vermelden in elk geval de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergadering en worden tenminste 10 kalenderdagen voor de vergadering aan de leden bezorgd. In geval van hoogdringendheid, te beoordelen door de voorzitter, wordt de bijeenroeping tenminste 3 dagen voor de vergadering bezorgd. De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn. Voor elk agendapunt wordt het dossier dat erop betrekking heeft, ter beschikking gesteld van de leden van de commissie vanaf de verzending van de agenda.
De bezorging van de oproeping, de agenda en het dossier aan de leden deontologische commissie gebeurt op dezelfde wijze als voor de raad voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat enkel de leden van de deontologische commissie deze oproep, agenda en dossiers ontvangen.
Art. 67 De vergaderingen van de deontologische commissie zijn niet openbaar.
Art. 68 De beraadslaging van de deontologische commissie is geheim. Enkel de definitieve conclusies van de deontologische commissie mogen openbaar gemaakt worden.
Art. 69 Eventuele communicatie vanuit de deontologische commissie vindt altijd en alleen plaats via de voorzitter van de commissie.
Art. 70 De deontologische commissie kan vergaderen als minstens de helft + 1 van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
In afwijking van het eerste lid kan de deontologische commissie, als zij eenmaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden aanwezig is, na een tweede oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze vergaderen en beslissingen nemen.
Art. 71 De commissie behandelt één zaak tot de vermeende schending volledig is afgehandeld door de deontologische commissie. Er mag geen interferentie zijn met een volgende zaak.
DEEL V - De procedure
Art. 72 De raad voor maatschappelijk welzijn ziet erop toe dat de verkozen lijsten en de individuele lokale mandatarissen volgens de deontologische code handelen.
Er zijn verschillende fasen te onderscheiden die spelen bij het toezien op de naleving van de deontologische code, namelijk:
● het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code;
● het uitvoeren van een ontvankelijkheidstoets en eventueel vooronderzoek door de algemeen directeur;
● het eventueel onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code door de deontologische commissie;
● de formulering van gemotiveerde conclusies aan de raad voor maatschappelijk welzijn door de deontologische commissie;
● de uitspraak van de raad voor maatschappelijk welzijn over de schending of niet schending van de deontologische code, conform de conclusies van de commissie; het nemen van eventuele maatregelen als gevolg van een vastgestelde schending; communicatie naar het publiek toe.
Hoofdstuk I - Het signaleren van vermoedens van schendingen
Art. 73 Wanneer een lokale mandataris eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een andere lokale mandataris, dan kaart hij/zij dit bij voorkeur aan bij de mandataris in kwestie. Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan zal de mandataris de mogelijke overtredingen voorleggen aan de algemeen directeur.
Al dan niet na een gesprek met de algemeen directeur, kan de mandataris overgaan tot een formele melding bij de voorzitter van de deontologische commissie en de algemeen directeur. Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.
Art. 74 De volgende personen kunnen een melding van een schending van de deontologische code doen bij de deontologische commissie:
● alle lokale mandatarissen van het lokaal bestuur;
● de algemeen directeur, indien de algemeen directeur zelf een vermoeden van een schending heeft, of in naam van een personeelslid van het lokaal bestuur.
Hoofdstuk II - Het onderzoeken van vermoedens van schendingen door de algemeen directeur: ontvankelijkheidstoets en eventueel vooronderzoek
Art. 75 De algemeen directeur is bevoegd om, na melding over een vermeende schending, een ontvankelijkheidstoets uit te voeren. De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.
Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal altijd een gesprek plaatsvinden met de melder. Een melding is ontvankelijk wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
● De melding bevat de naam en de contactgegevens van de melder; anonieme meldingen worden niet in overweging genomen;
● de melding betreft een individuele (zittende) lokale mandataris;
● het staat vast dat het gaat om een vermoedelijke schending van de deontologische code (en niet bijvoorbeeld om een schending binnen de privésfeer);
● de melding is voldoende betrouwbaar en concreet (er wordt gekeken naar de kwaliteit van de bron(nen) en de feitelijkheid van de melding);
● de melding is in alle redelijkheid onderzoekbaar en heeft onderzoek nodig (niet alle vermoedens zijn onderzoekbaar of vragen om onderzoek (bijvoorbeeld schendingen waarbij geen getuigen noch sporen van het voorval aanwezig zijn).
Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld. In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de voorzitter van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.
Art. 76 De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken die deel uitmaken van het verslag, aan de leden van de commissie ter beoordeling. Indien de leden van de deontologische commissie niet binnen de vijf werkdagen bezwaar maken op het verslag, dan wordt het verslag over de ontvankelijkheid formeel omgezet in een beslissing van de deontologische commissie, als uiteindelijk verantwoordelijke voor de beslissing. Indien één lid bezwaar aantekent tegen het verslag van de algemeen directeur, zal de deontologische commissie bijeenkomen voor de bespreking en beoordeling van het verslag.
Wanneer het advies luidt dat een melding ontvankelijk is, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het verslag aan de deontologische commissie.
Wanneer een melding niet-ontvankelijk is, betekent dit meteen het einde van de formele procedure. De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de algemeen directeur, in naam van de deontologische commissie.
Een melder kan een melding ook zelf intrekken. Wanneer het om een interpersoonlijke schending (zoals vermeld in artikel 36) gaat, betekent dit in principe het einde van de formele procedure. Bij een schending van de andere gedragsregels (bijvoorbeeld belangenvermenging) zal de formele procedure door blijven lopen. De melding is in dit geval niet gebonden aan degene die de melding doet.
Art. 77 Bij een ontvankelijke melding start de algemeen directeur, onder mandaat van de commissie, een vooronderzoek. De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten laten bijstaan.
De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden. De vermeende schender wordt erop gewezen dat hij/zij zich tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadspersoon naar keuze.
Art. 78 De deontologische commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan. Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:
● het in kaart brengen van de feitelijke situatie waarop de melding van toepassing is;
● het nagaan van de beschikbaarheid van relevante (administratieve en feitelijke) informatie en bewijsmateriaal;
● het nagaan van de relevante regelgeving;
● een gesprek met de vermeende schender, behalve wanneer dit het vooronderzoek kan schaden.
De deontologische commissie kan vragen om een extern adviserend lid, overeenkomstig artikel 53, bij het (voor)onderzoek te betrekken.
Art. 79 De algemeen directeur brengt schriftelijk verslag uit aan de deontologische commissie op basis van het vooronderzoek.
Het conceptverslag wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de commissie. Vervolgens wordt het concept ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptverslag. Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk verslag aan de commissie.
Art. 80 Het verslag van de algemeen directeur, waarover de deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s waarop de commissie zich zal richten:
● Er zijn geen gronden gevonden voor een verder onderzoek of oordeel, of de melding betreft een dusdanige milde vorm van een schending dat ze afgedaan kan worden met het individueel aanspreken van de vermeende schender;
● De vermeende schender heeft de schending erkend, zodat verder onderzoek door de commissie niet nodig is. De commissie wordt geadviseerd het dossier formeel af te sluiten en te komen tot een inschatting van de ernst van de schending;
● Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. De deontologische commissie wordt geadviseerd om tot een eigen toetsing van de schending te komen en een inschatting te maken van de ernst;
● Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. Er is echter nood aan verder onderzoek. De commissie wordt geadviseerd over de onderzoeksvraag, wie het onderzoek zou moeten opstarten/uitvoeren (de Vlaamse Regering/de provinciegouverneur, Audit Vlaanderen, een integriteitsspecialist, …) en wat de termijnen zijn;
● Er is een gegrond vermoeden van een strafrechtelijk vervolgbaar feit. De deontologische commissie wordt geadviseerd een zelfstandige beslissing te nemen om de melding neer te leggen bij de politie/het parket.
Hoofdstuk III - Het onderzoek door en de conclusies van de deontologische commissie
Art. 81 De deontologische commissie oordeelt op basis van het verslag van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.
De melder, het vermeende slachtoffer en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de deontologische commissie. Voor allen geldt dat zij zich in deze kunnen laten bijstaan door een raadspersoon. Geen van de partijen is verplicht zich te laten horen. Een partij die niet wil gehoord worden kan deze weigering schriftelijk motiveren.
De commissie kan in het kader van het onderzoek ook getuigen horen. Ook zij kunnen zich laten bijstaan door een raadspersoon.
Na het bestuderen van het voorliggend dossier en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en concludeert zij of het gaat om een schending of niet. Deze gemotiveerde conclusies worden overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van dit bindend luik van de conclusies en bevestigt deze uitspraak.
Art. 82 De wijze van communiceren vanuit de raad voor maatschappelijk welzijn en een voorstel van afhandeling, met een beschrijving van de verzwarende of verzachtende omstandigheden, maken deel uit van de gemotiveerde conclusies van de deontologische commissie. Dit luik van de conclusies is niet bindend.
Indien de deontologische commissie een schending heeft vastgesteld, omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit het onderzoek is gebleken, dan neemt ze in haar conclusies ook een beschrijving op van de verzwarende en verzachtende omstandigheden en de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op.
Er wordt een uitzondering gemaakt op deze regel wanneer:
● er eerst een vervolgonderzoek nodig wordt geacht. Dit vraagt om beoordeling van de rapportage op het vervolgonderzoek;
● er melding wordt gedaan bij de Vlaamse Regering/Audit Vlaanderen, of wanneer er een politionele aangifte is gedaan. In dit geval informeert de commissie de raad voor maatschappelijk welzijn over de genomen stap.
Art. 83 De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit. Een simpele meerderheid van uitgebrachte stemmen volstaat echter om tot een oordeel te komen.
Indien er evenveel stemmen voor als tegen een oordeel zijn, dan worden beide gemotiveerde standpunten in de conclusies opgenomen. Het extern adviserend lid kan, indien van toepassing, zijn standpunt in de conclusies laten opnemen.
Art. 84 Een lid van de commissie kan ervoor kiezen een afwijkend standpunt op te tekenen en mee te sturen, met de conclusies aan de raad voor maatschappelijk welzijn .
Hoofdstuk IV - Het zich uitspreken over schendingen door de raad voor maatschappelijk welzijn
Art. 85 De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van de gemotiveerde conclusies van de deontologische commissie en bevestigt in zijn uitspraak het al dan niet bestaan van een schending, conform de conclusies van de deontologische commissie.
Art. 86 De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van het voorstel van de deontologische commissie in verband met de wijze van communiceren en de afhandeling. De raad voor maatschappelijk welzijn dient in het nemen van eventuele maatregelen proportioneel te zijn ten aanzien van de aard van de schending en de context waarbinnen de schending heeft plaatsgevonden. De niet bindende conclusies over de wijze van communiceren en de eventuele maatregelen van de deontologische commissie dienen als leidraad.
Art. 87 Wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn vaststelt dat deze code geschonden werd door een mandataris van het OCMW, dan kan de raad voor maatschappelijk welzijn:
● de schender expliciet wijzen op de normen die dienen gerespecteerd te worden;
● zich uitdrukkelijk distantiëren van het gedrag van een raadslid;
● vragen dat het raadslid zich publiekelijk verontschuldigt;
● een vorm van herstel voorzien, zoals het verwijderen of rechtzetten van intentioneel foutieve berichten;
● objectieve communicatie over de feiten publiceren op de gemeentelijke sociale mediakanalen;
● beslissen een melding te doen bij de bevoegde instanties;
● bij een kennelijk wangedrag of grove nalatigheid van of door de voorzitter of een lid van het vast bureau een dossier overmaken aan de Vlaamse regering zodat die een tuchtonderzoek kan instellen;
● …
Art. 88 De voorzitter van het OCMW communiceert over de uitspraak en (indien mogelijk) de gronden daarvan en over de genomen maatregelen, op grond van de adviezen van de deontologische commissie.
DEEL VI - Evaluatie van de deontologische code
Art. 89 Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de deontologische commissie deze deontologische code. Ze bekijkt of de code nog actueel is, nog goed werkt en of hij nageleefd wordt. De commissie brengt hierover verslag uit aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
Besluit Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Yannick Poot Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nathalie Woitrin Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nadia Steenbeek Colette Storms Chantal Deghoy Anja Vermeulen Damien Filippi Isabelle Fouarge Françoise Devleeschouwer Alain Van Herck Bruno Vandersteen aantal voorstanders: 5 , aantal onthouders: 1 , aantal tegenstanders: 3 Goedgekeurd
Artikel 1:
De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt dat deze goederen in principe onderhands worden verkocht, met toepassing van een voldoende ruime marktbevraging en met naleving van de principes van transparantie, objectiviteit en mededinging.
Artikel 2:
Voor elk te vervreemden goed wordt vooraf een schattingsverslag opgesteld door een erkend en onafhankelijk schatter.
Artikel 3:
De waarde vastgesteld in het schattingsverslag geldt als minimale verkoopwaarde.
Artikel 4:
Bij elke verkoop wordt gestreefd naar de hoogst haalbare marktconforme verkoopprijs teneinde het patrimonium maximaal te valoriseren en de financiële belangen van het lokaal bestuur optimaal te behartigen.
Artikel 5:
Het vast bureau wordt belast met alle uitvoeringsbeslissingen die noodzakelijk zijn voor de organisatie, bekendmaking, onderhandelingen, beoordeling van biedingen en afsluiting van de verkoopdossiers, voor zover gehandeld wordt binnen de door de raad vastgestelde voorwaarden.
Artikel 6:
Het vast bureau kan beslissen een bod niet te aanvaarden wanneer de vooropgestelde marktwaarde onvoldoende wordt gerealiseerd.
Artikel 7:
Deze beslissing geldt voor alle verkopen van onroerende goederen die gedurende de huidige meerjarenperiode uitdrukkelijk in het meerjarenplan werden opgenomen, behoudens indien de raad voor maatschappelijk welzijn voor een specifiek dossier anders beslist.
Artikel 1:
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de AI-verklaring, vervat als bijlage en integraal deel uitmakend van deze beslissing, goed.
Artikel 2:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat de AI-verklaring kan toegevoegd worden als bijlage bij het arbeidsreglement.
Artikel 3:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat de AI-verklaring in werking treedt op de datum van goedkeuring door de raad.
Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Yannick Poot Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nathalie Woitrin Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Alain Van Herck Colette Storms Damien Filippi Chantal Deghoy Anja Vermeulen Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Bruno Vandersteen Isabelle Fouarge aantal voorstanders: 6 , aantal onthouders: 3 , aantal tegenstanders: 0 Goedgekeurd
Artikel 1:
De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van de uitnodiging voor de buitengewone algemene vergadering van Providentia bv op woensdag 23 september 2026 om 18 uur in in het ontmoetingscentrum Forum, Ter Meerenlaan 1 te 1970 Wezembeek-Oppem.
Artikel 2:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat mevrouw Anja Vermeulen, aangeduid als vertegenwoordiger in de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn van 21 april 2026, het mandaat krijgt om namens OCMW Kraainem, de in artikel 3 vermelde agendapunt goed te keuren.
Artikel 3:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist zijn goedkeuring te hechten aan het volgend agendapunt van de buitengewone algemene vergadering van 23 september 2026:
● Partiële splitsing van Providentia bv naar Woontrots bv.
Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Yannick Poot Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Nathalie Woitrin Damien Filippi Colette Storms Alain Van Herck Nadia Steenbeek Françoise Devleeschouwer Chantal Deghoy Anja Vermeulen Isabelle Fouarge Bruno Vandersteen Colette Storms Anja Vermeulen Chantal Deghoy Nadia Steenbeek Damien Filippi Alain Van Herck Bruno Vandersteen Françoise Devleeschouwer Isabelle Fouarge aantal voorstanders: 6 , aantal onthouders: 3 , aantal tegenstanders: 0 Goedgekeurd
Artikel 1:
De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van de uitnodiging voor de buitengewone algemene vergadering van Woontrots bv op woensdag 23 september 2026 om 18.30 uur in het ontmoetingscentrum Forum, Ter Meerenlaan 1 te 1970 Wezembeek-Oppem.
Artikel 2:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat mevrouw Nadia Steenbeek aangeduid als vertegenwoordiger in de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn van 20 februari 2025, het mandaat krijgt om namens OCMW Kraainem, de in artikel 3 vermeld agendapunt goed te keuren.
Artikel 3:
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist zijn goedkeuring te hechten aan het volgend agendapunt van de buitengewone algemene vergadering van 23 september 2026:
● Partiële splitsing van Woontrots bv naar Providentia bv.
Publicatie LBLOD
De applicatie "Meeting.burger" helpt lokale besturen bij het aanmaken, annoteren en publiceren van agenda's, besluiten en notulen volgens het principe van gelinkte open data.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, wordt er een expliciete "bundel" van het document opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker. Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie werd uitgevoerd.
Al deze gegevens staan op een aparte publicatie omgeving die beveiligd toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.